Kennisoverdracht en -behoud

Om de praktische kennis van het herkennen van oude rassen over te kunnen dragen, beleggen wij en anderen praktijkgerichte instructie-bijeenkomsten, excursies, erc., waarop geïnteresseerden zich in de praktijk van het herkennen van oude rassen kunnen bekwamen. Ook hiermee hopen wij te voorkomen dat in de toekomst dergelijke historische rassen door gebrek aan kennis alsnog, maar dan wellicht definitief, verloren gaan.
Het belang van deze benadering werd al vanaf het einde van de jaren 80 van de vorige eeuw herkend door enkele van onze gewaardeerde voorgangers, die daarom als echte voortrekkers mogen worden beschouwd.

Het identificeren van oude fruitrassen is bovendien vanwege haar complexiteit een echte groepsactiviteit. Men leert van elkaar en voor de meesten van ons blijft het een voortgaand proces van leren, niet alleen uit de boeken, of naar de theorie. Een belangrijke reden daarvoor is dat er zoveel rassen blijken te zijn geweest die niet of slechts summier zijn beschreven, of slechts een zeer regionaal voorkomen kenden. De grote variabiliteit van het te onderzoeken fruit, de niet onaanzienlijke verwarring en fout gebruik van synnoniemen is een andere reden.
Men leert het ‘vak’ het beste door die rassen samen te bekijken, te betasten, aan te snijden, te ruiken en te proeven. Wel is gewenst dat men behalv, veelal oude handboeken, ook veel andere beschikbare historische bronnen, en niet in de laatste plaats, assortimentslijsten van vroegere boomkwekers raadpleegt. Van groot belang is ook dat men zich in mondeling overgeleverde informatie verdiept.

Herkenning van oude fruitrassen berust voor een zeer belangrijk deel op ervaring, die over vele jaren wordt opgebouwd. En die kennis blijft men opbouwen, omdat er steeds weer verloren gewaande rassen blijken op te opduiken.

Dat er nog zoveel oude rassen terug werden gevonden, hebben we voor een belangrijk deel te danken aan vroege verzamelaars, de echte pioniers, die al vanaf de jaren onmiddellijk na de Tweede Wereldoorlog uit pure interesse kleinere of grotere collecties hadden aangelegd van vooroorlogse fruitrassen die destijds met name nog in hun directe omgeving voorkwamen. Zonder hun verzamelgeest zou ongetwijfeld een belangrijk deel van de nog teruggevonden rassen inmiddels niet meer hebben bestaan.

Jammergenoeg waren er van overheidswege vanaf de jaren 70 van de vorige eeuw nauwelijks nog activiteiten gericht op instandhouding van het traditioneel geteelde rassenbestand meer ondernomen. Vrij aanzienlijke collecties die op verschillende plaatsen op regionale proefstations onder haar hoede stonden, waren in de jaren 70 en 80 successievelijk zelfs afgestoten.
Mede hierdoor, maar ook vanwege een radicaal veranderde bedrijfsvoering in de fruitteelt die het gebruik van slechts enkele, speciaal geselecteerde rassen vereiste, leken de meeste traditioneel geteelde rassen tegen het einde van de jaren 80 te zijn verdwenen.