Op deze plaats delen wij informatie over samenwerkingsprojecten op het gebied van de identificatie van oude fruitrassen, alsook ontwikkelingen betreffende lopende onderzoeksprojecten, met medewerkers en andere geïnteresseerden.

 

Waar is de echte Yellow Transparent gebleven?

Het was louter door toeval dat wij enkele jaren geleden een artikel, getiteld EEN NIEUWE APPEL (YELLOW TRANSPARENT), onder ogen kreeg van A. Ide, destijds directeur van de vermaarde G.A. van Swieten Tuinbouwschool te Frederiksoord> Het was al in 1896 in het TIJDSCHRIFT VOOR TUINBOUW, No. 1 gepubliceerd.
Ids behandelt in het bewuste artikel een nieuwe, aantrekkelijke Amerikaanse appel, verkregen onder de naam Yellow Transparent. De bewuste appel was volgens hem enkele jaren daarvoor in ons land ingevoerd door de firma Groenewegen en Zoon, Boomkweekers, te De Bilt.

Rond 1900 verscheen er in Nederland nóg een appel onder de naam Yellow Transparent, syn. Transparente Blanche, Transparent Jaune en White Transparent. In Zeeland kent men deze appel onder de naam (Blanke) Madeleine, terwijl wij die in Oost Nederland kennen als de St. Jaopik’s appel.
In Duitsland, waar deze appel al sinds het midden van de 19e eeuw zou zijn geteeld, kent men haar onder de naam Weisser Klarapfel. Deze zou, naar verluidt, met gelijksoortige Russische appels afkomstig zijn uit een van de Baltische Staten (Letland).
Wanneer precies deze appel in Nederland is verschenen, is onduidelijk. Vast schijnt wel te staan dat zij al in 1852 door boomkweker Wagner te Riga aan de Franse boomkweker Leroy, in Angers, was geleverd. Ze zou vervolgens rond 1900, vanuit Frankrijk, in Nederland zijn geïntroduceerd, maar op welke wijze en door wie, hebben we nimmer kunnen achterhalen.

Nooit eerder hadden wij, noch in assortimentslijsten, noch in de pomologische literatuur, noch bij overlevering, van enig naamsconflict in dit geval gehoord. Ook was dit ogenschijnlijke naamsconflict bij ons, hoewel ik er aanvankelijk door gefascineerd was, destijds bij mij op de achtergrond geraakt.

Toen ik, teneinde een probleem van naamgeving van een geheel ander appelras te verhelderen, onlangs bij een van mijn naspeuringen in de pomologische literatuur – in dit geval het onvolprezen pomologische meesterwerk, THE APPLES OF NEW YORK (Beach et al., 1905) – op een korte beschrijving van de eerder genoemde en kennelijk al door Ide behandelde Yellow Transparent stuitte, ging er weer een lichtje bij mij branden.
In was door Beach namelijk een appel onder de naam Yellow Transparent beschreven die volgens hem in 1870 door de United States Department of Agriculture was geïmporteerd uit Rusland.
En dat was op zichzelf nog niet iets dat echt onze aandacht trok, ware het niet dat hij deze in een vergelijking betrekt met een elders in dat handboek genoemde, laten we voor het gemak maar zeggen, ‘Europese Yellow Transparent’. Die appel wordt aldaar met de naam Thaler aangeduid, met als synoniem – zeer verwarrend – Yellow Transparent.

Wat ons in het bijzonder interesseerde, was de expliciete behandeling van de gevoeligheid voor ziekten van de Thaler, met name vruchtboomkanker (Nectria galligena), kennelijk ook wel aangeduid als Charlottenthaler. ‘Zijn’ Amerikaanse Yellow Transparent zou daar volgens hem niet door worden aangetast.
En het was juist deze laatste eigenschap die in Frederiksoord ook door Ide was waargenomen en expliciet benoemd, hetgeen er nog weer eens op zou kunnen duiden dat Ide het inderdaad over deze appel had.

Nog zouden wij niet overmatig geïnteresseerd zijn geraakt in deze appel, ware het niet dat wij al vele jaren een appel in onze collectie hebben die niet of nauwelijks te onderscheiden is van de ons allen hier te lande onder die naam bekende Yellow Transparent, behalve dan in haar ogenschijnlijke ongevoeligheid voor vruchtboomkanker (Nectria galligena)!
Wij hadden deze steeds gehouden voor een (natuurlijke) zaailing van de ons bekende Yellow Transparent die (bijna) soortecht in deze vermoede zaailing was teruggekomen, maar dan wel met een hoog niveau van resistentie tegen vruchtboomkanker. Overigens hebben we deze appel, vanwege genoemde, zeer nuttige eigenschap, die zij mogelijk had meegekregen van een resistente, overigens onbekende vader, wel in collectie gehandhaafd.

Conclusie: wij hebben hiermee waarschijnlijk de Amerikaanse, dus echte Yellow Transparent in handen, daarbij de regels van anciënniteit voor de rechtmatigheid van naamgeving volgende. De Europese zou derhalve beter met de naam Transparente Jaune (of Transparente Blanche) kunnen worden aangeduid.

Toch zijn wij nog niet geheel overtuigd. Ik zou graag van onder de vaste lezerskring van DE SLANKE SPIL reacties ontvangen over vermeende resistentie tegen vruchtboomkanker in een appel die men eens als een Yellow Transparent had aangeschaft en aangeplant.

Waarom H. de Greeff, leraar aan dezelfde G.A. van Swieten Tuinbouwschool, te Frederiksoord, in zijn serie pomologische beschrijvingen ONZE APPELS EN PEREN, uitgegeven gedurende de jaren 1905-1908, de dus al in Fredriksoord aanwezige, Amerikaanse Yellow Transparent, niet vermeldt, zal wel altijd een raadsel blijven.

Literatuur:

Ide, A, Een nieuwe appel (Yellow Transparent), (1896), Tijdschrift voor Tuinbouw, No. 1, pg. 14
Beach, S.A. et al., The Apples of New York, volume 1, (1905) Charlottenthaler and Yellow Transparent, pg. 222, respectievelijk pg. 248.
De Greeff, H., Onze Appels en Peren (1905- 1908)

(H.W. Rossel, 2015)

Eerder gepubliceerd in De Slanke Spil, Nieuwsbrief van de Stichting Vrienden van het Fruiteeltmuseum, Kapelle (Zld.), no. 24 (maart 2015)

 

Blanke Pepping, of Enkhuizer Aagt?; óf is dat één en dezelfde appel?

 

Een van de door mij de afgelopen jaren (terug)gevonden appels vertegenwoordigt waarschijnlijk een van de twee in de titel genoemde appels, Maar welke van de twee?

De appel, waarvan hier enkele opnames zijn opgenomen, blijkt in ieder geval uiterst duurzaam te zijn. Ze liggen er nu – en dat is begin maart – bij mij, buiten bewaard, nog vrij gaaf bij.

Haar opvallend wit-gele kleur en de mooie, rose-rode blos, met slechts een zeer weinig opvallende gestreeptheid, wijst ons inziens meer in de richting van wat de onvolprezen Nederlandse pomoloog van Duitse herkomst, Johann Hermann Knoop in Pomologia (1758) voor de Blanke Pepping beschrijft, dan naar zijn weergave van de Enkhuizer Aagt. Van deze laatste vermeldt Knoop namelijk dat deze groen-geel van kleur is.

 

Wat grootte, vorm en typische blos betreft, lijken beider afbeeldingen overigens sterke overeenkomsten te vertonen. Overigens lijken de overeenkomsten tussen deze twee appels sterker in de beschrijvingen in Pomologia van elk daarvan. Maar, haar opvallend lange houdbaarheid lijkt weer meer in de richting van de Enkhuizer Aagt te wijzen.

Daarentegen is de weergave van vruchtkleur (saatgrün) in August Friedrich Adrian Diel’s beschrijving in Versuch einer schematischen Beschreibung in Deutschland vorhandener Kernobstsorten (1805, Heft 7, Seite 66) van hun Enkhuyser Agatapfel, eveneens weergegeven in het Illustriertes Handbuch der Obstkunde (Lucas en Oberdieck, 1875) niet in overeenstemming met onze appel. Onze appel is vanaf een jong stadium van ontwikkeling opvallend witgeel van kleur. Overigens wel, tenminste van appels van een boom in de volle zon, met een mooie, rose-rode blos.

De kleur en andere karakteristieke kenmerken van de zomerscheuten aan de boom van onze appel komen overigens wel goed overeen met hetgeen zij vermelden voor de appel die zij als Enkhuyser Agatapfel beschrijven (Sommertriebe schlank, stark wollig, etwas silberhäutig, violetbraun, nur nach unten ganz fein punktirt).

 

Als kleur van het vruchtvlees van hun appel vermelden zij: weiss. Onze appel heeft, echter nu, in maart, duidelijk meer geel-achtig vruchtvlees, dat overigens ondanks buiten-bewaring en blootstelling aan de vorstperiodes van afgelopen winter, nog prima smaakt. Kleurverschil zou een gevolg kunnen zijn van latere verkleuring, of van interpretatie(?).

Het klokhuis van de appel die zij als Enhuyser Agatappel beschrijven, zou vaak slechts vier goed ontwikkelde kamers vertonen, terwijl de vijfde, als die al aanwezig was, klein en verdrongen zou zijn. Onze appel, tenminste in de vruchten die wij hebben aangesneden, vertoonden steeds vijf goed ontwikkelde kamers. Deze laatste bevatten overgens wel, zoals ook zij voor hun appel beschrijven, een aanzienlijk aantal, goed ontwikkelde pitten.

De kelk en haar omgeving (mit falten oder feinen Rippschen oder Fleischperlen umgeben), hetgeen wel enigszins overeen komt met wat wij zien bij onze vruchten en de wat breed geribde vorm van hun appel (auch über die Frucht laufen breite, flache, oft stark vorbrängende Erhebenheiten, welche dann die Rundung und die regelmässigere Form verderben) komt bij sommig vruchten slechts overeen met wat wij enkele van onze, meest strakke, konisch gevormde afgeronde appel waarnemen.

 

De kelkbuis blijkt in onze appel steeds kort, terwijl die bij hun Enkhuyser Agatapfel ook regelmatig lang bleek te kunnen zijn en soms zelfs wel tot het klokhuis door te lopen.

 

Om nog verder aan de verwarring bij te dragen, halen Lucas en Oberdiek (1875) nog aan dat D. ten Doornkaat Koolman, in Ostfriesland, auteur van Pomologische Notizen (1879) aan hem had verteld dat hij, evenals een ‘Gartner aus Holland’, die bij hem op bezoek was, een appel die hij als Credes Taubenapfel in collectie had, zondermeer voor een Enkhuyser Agatapfel had gehouden.

 

Al met al blijkt uit hun weergave van wat er in de literatuur van dat moment vermeld was, tóch ook sprake was van enige niet geringe verwarring. Deze verwarring is mijns inziens tot op heden eigenlijk nooit opgehelderd en we vermoeden zelf dat hen het bestaan van de Blanke Pepping, nota bene kenmerkend afgebeeld in Pomologia (J.H. Knoop, 1758), geheel ontgaan is.

 

Sinds Knoop deze appels beschreven had, hebben wij, behalve in het boekwerk Pomologia Batava, van de hand van Mathieu van Noort (1830), geen latere beschrijving, of eenvoudige vermelding, behalve in één zeer oude assortimentslijst, van deze twee illustere appels meer kunnen vinden. Overigens lijkt de beschrijving van Mathieu van Noort goed overeen te komen met onze appel, echter zijn vermelding dat de Enkhuizer Aagt een dikke, knobbelige steel zou bezitten, komt in het geheel niet overeen met die in andere beschrijvingen, en ook niet met die van onze appel.

In Pomologische boekwerken van latere datum, als De Nederlandsche Boomgaard (1868) komt de Enkhuizer Aagt echter niet meer voor. Overigens wordt ze nog wel genoemd in Vruchtsoorten (1862), de voorloper van voornoemd pomologisch standaardwerk en eveneens uitgegeven door de Vereeniging tot Regeling en Verbetering der Vruchtsoorten, te Boskoop. Ook in één oude assortimentslijst, en wel van de befaamde Boskoopse boomkweker en pomoloog P.A. Ottolander, daterende van rond 1850, troffen we een vermelding aan van een ‘Enkhuiser Aagte’.

De Blanke Peppin is voor zover we weten in de Nederlandse pomologische literatuur nooit meer benoemd.

Maar Diel (1799) beschrijft naast de Enhuyser Agatapfel nog wél een Weisser Pepping (Blanke Pepping). Ook zeer interessant in dit verband is het feit dat hij daarvan vermeldt dat hij het enthout van zijn Weisser Pepping in 1791 uit Haarlem (!) had verkregen.

Interessant en wellicht veelzeggend is dat de beschrijving die hij van die appel, waarvoor hij wél naar de Blanke Pepping in Pomologia verwijst, zo sterk met die van de Enkhuizer Aagt overeen komt, dat het mijns inziens niet uitgesloten mag worden geacht dat het dezelfde appel betreft. Mogelijk was hij op het verkeerde been gezet door het feit dat hun grote voorganger Johann Hermann Knoop deze twee – wellicht ook ten onrechte – als twee verschillende rassen beschreven had.

Interessant is dat onze collega’s bij de Pomologisch Vereniging Noord-Holland, de POM, een appel in collectie hebben onder de naam Enkhuizer Aagt. Een zeer duidelijke opname van hun Enkhuizer Aagt , die mij op mijn verzoek werd toegezonden door de heer Ger Ernsting van deze vereniging, blijkt echter een opvallend helder-rood gestreepte/gemarmerde appel te zien te geven. Het betreft in hun geval kennelijk een andere appel dan die wij hier trachten te herleiden tot haar ware naam, waarmee niet gezegd is dat hun appel niet de echte Enhuizer Aagt is.

Voorlopig zullen de nevelen rondom de Enkuizer Aagt, alsook rondom onze vermeende Blanke Peppin, nog niet zijn opgetrokken en zal er nog wel enig vergelijkend onderzoek en verder historisch speurwerk, liefst ook i.s.m. onze collega’s in Duitsland, nodig blijken om dit mysterie op te lossen.

Wij houden het er voorlopig dus op dat de beschrijving van de Enkhuyser Agatapfel door Lucas en Oberdieck (1875), op autoriteit van hun in pomologisch opzicht onvolprezen landgenoot Aug. Friedr. Adr. Diel (1805), niet de echte Enkhuizer Aagtappel, maar wellicht de door Knoop als eerste beschreven en afgebeelde Blanke Pepping betreft. In ieder geval komen de door hem beschreven kenmerken heel goed overeen met onze veronderstelde Blanke Pepping.

 

Ik hoop dat met dit verhaal de schijnbare en kennelijk al oude verwarring rond de identiteit van de Enhuizer Aagt, maar evenzeer van de Blanke Pepping een stapje dichter bij haar ontknoping gebracht zal worden.

(H.W. Rossel, maart 2017)

 

Eerder gepubliceerd in De Slanke Spil, Nieuwsbrief van de Stichting Vrienden van het Fruiteeltmuseum, Kapelle (Zld.), no. 29 (maart 2017)

 

———-

Rother Weinapfel, een vooralsnog onopgeloste pomologische puzzel

Inmiddels al vrij lang geleden, in 1997, werd ons op een determineer-bijeenkomst georganiseerd door de Noordelijke Pomologische Vereniging (NPV), te Gelselaar, in de Gelderse Achterhoek, een appel ter identificatie aangeboden waarvan de eigenaar alleen de lokale naam Wienappel kende. We hebben aan deze appel tot dusverre echter nooit een met zekerheid vastgestelde ‘echte’ naam kunnen verbinden.

Sindsdien zijn wij deze appel bij meerdere gelegenheden tegen gekomen en hebben zelfs de boomkweker in ons deel van Gelderland kunnen traceren (Westerhof, De Heurne). Hij had dit ras vanaf begin 1900 met name in het zuidelijk deel van de Achterhoek verspreid. Naar zijn eigen informatie was de oorsprong van zijn Wienappeleen al oude boom die bij de boerderij van zijn voorouders, dicht bij de grens met Duitsland, had gestaan.

Vele jaren van speurwerk in de oude Nederlandse en Duitse pomologische literatuur, maar ook navraag bij Duitse collega’s leverden echter geen bevredigende resultaten op.

Bij het doornemen van het ongeëvenaarde pomologische standaardwerk, The Apples of New York (Beach, S.A., 1905), kwamen wij echter een korte vermelding van een appel tegen die leidde tot de voorlopige conclusie dat we in het geval van de Wienappel waarschijnlijk te maken hebben met de door Beach zelfs bij haar Duitse naam, Rother Weinapfel (syn. Red Wine), genoemde appel. Beach geeft hiervan helaas maar een korte beschrijving, zonder afbeelding. Hij rangschikt haar onder de groep van Russische appels van het lowland raspberrytype (‘laagland framboos-type’).

Om voor ons onbegrepen redenen is deze appel kennelijk nooit beschreven, noch ooit genoemd in de Duitse pomologische literatuur, hoewel deze ongetwijfeld uit Duitsland stamt en onder haar Duitse naam, door vroege Duitse emigranten naar Amerika meegenomen zal zijn.

Ik heb intussen een aantal malen pogingen gedaan om informatie omtrent het mogelijke ook nog huidige voorkomen van deze appel in genenbanken, bij particulieren, of bij boomkwekers the USA, maar dit is tot dusver helaas zonder resultaat gebleven.

In conclusie: ik zou het buitengewoon waarderen om nadere informatie omtrent deze appel te ontvangen voor het geval iemand in Duitsland, of in de USA, of met nauwe contacten aldaar, nadere informatie weet te bemachtigen omtrent deze buitengewoon interessante appel.

Wij houden ons ten zeerste aanbevolen voor nadere informatie omtrent het ook nu mogelijk nog voorkomen van deze interessante appel, bijvoorbeeld in genenbanken waar dan ook ter wereld, waarin grote collecties historische appelrassen zijn ondergebracht. Mogelijk ook is dat deze appel zelfs nog tot op de dag van vandaag in de USA, of in Duitsland, door particulieren wordt gekweekt.
Voor een afbeelding van de onderhavige appel mag ik verwijzen naar de betreffende sectie op deze website www.vergetenfruitrassen.nl

 

De belangrijkste vruchtkenmerken van onze, veronderstelde, Rother Weinapfel

Vruchtvormmiddelgroot, overwegend rond, soms licht hoog-gevormd, enigszins buikig naar kelkzijde, afgeplat aan steelzijde.

Schilglad, lichtgroen, bij afrijping witgeel van kleur. Afhankelijk van stadium van rijpheid en mate van zonbeschijning, op de zongerichte zijde gedeeltelijk tot overwegend vlekkerig bloed-rood geblost, met daar overheen, vaag zichtbare, wat donkerder rode strepen. Bij intensieve zonbeschijning is de appel over het grootste deel van het oppervlak meer egaal en intensiever bloed-rood gekleurd.

Steeldun, middellang, boven de vrucht uitstekend, groen tot licht bruin van kleur.

Steelholte:middeldiep, meest ondiep trechtervormig, met enige lichte, olijfgroene, enigszins straalvormig uitwaaierende roest bekleed.

Kelk: klein, gesloten, met korte groene, aan de basis vergroeide kelkblaadjes, die sterk wollig zijn aan de onderzijde.

Klokhuisklein, nauw en compact, met weinig, relatief kleine pitten.

Kelkholte: Middelwijd, enigszins verzonken, met lichte ribben

Vruchtvleessneeuwwit, ook wel met enig rood doortrokken, tamelijk zacht, aromatisch en zachtzuur, maar vrij zoet door hoog suikergehalte

Tijd van rijpheid en gebruikVanaf begin september plukrijp en geschikt voor consumptie

HoudbaarheidVrij goed, bij tijdige pluk en bij koele, beschutte buitenbewaring wel tot het eind oktober geschikt voor consumptie. In de koeling houdbaar tot het einde van het jaar.

 

(H.W. Rossel, november 2017)

Eerder gepubliceerd in De Slanke Spil, Nieuwsbrief van de Stichting Vrienden van het Fruiteeltmuseum, Kapelle (Zld.), no.30  (november 2017)

 

——–
Oude fruitrassen: wat mogen we tot ons nationale culturele erfgoed rekenen en welke rassen dienen prioriteit te krijgen bij toekomstbestendige instandhouding?
Inleiding
Om ons een gefundeerd oordeel te kunnen vormen over wat wij tot het specifiek Nederlandse culturele erfgoed van onze appel mogen rekenen, is inzicht in haar ontwikkelingsgeschiedenis en het ontstaan van haar genetische diversiteit noodzakelijk.

Er is met betrekking tot ons belangrijkste fruitgewas, de appel, de laatste twee duizend jaar op het gebied van diversiteit veel gebeurd in onze eigen Europese ‘Oude Wereld’. Sinds de Romeinse tijd, toen de appel en ook een aantal andere fruitsoorten door hen naar onze streken werden meegebracht, heeft de veelsoortigheid van onze appel grootse vormen aangenomen.
Mede door genetisch onderzoek (Juniper & Mabberley, 2006) weten we dat het oorsprongsgebied van onze appel waarschijnlijk in de Illy vallei, in het uiterste westen van China, moet hebben gelegen, maar in de millennia daarop volgend in grote veelvormigheid zijn uitgewaaierd naar de voorgebergtes van de Tien Shan (Hemelse bergen), in Kazakstan en Oezbekistan, de bergketen in het grensgebied met China.
Van daaruit zouden de oorspronkelijke vormen, die zich volgens hen feitelijk in niets onderscheidden van onze huidige appel, via een zuidelijke route, middels handelsverkeer door de Perzen en Oude Grieken, het Italië van de Romeinen hebben bereikt.
Zelf geloof ik dat er mogelijk, gezien de zeer grote verschillen in rassengroepen, ook via andere, mogelijk zelfs noordelijke routes, diverse oorspronkelijke types, maar ook andere fruitsoorten en -vormen tot West Europa en onze streken zijn doorgedrongen. Daarover staat overigens weinig of niets met zekerheid vast. Wel kwam uit het genetisch onderzoek van Mabberley & Juniper naar voren dat Malus sylvestris, de enige echt wilde botanische appelsoort in West-Europa, geen rol heeft gespeeld in de evolutiegeschiedenis van onze appel.

Ons beperkend tot onze appel: daarvan werd door Mabberley & Juniper verondersteld dat deze miljoenen jaren geleden al was voortgekomen uit soortkruisingen tussen oorspronkelijk mogelijk drie verschillende botanische soorten die ooit Centraal Azie zouden hebben bereikt vanuit Zuid-Oost China, het genencentrum van de Malus-soorten, alwaar ook nu nog ca. 30-tal verschillende Malus-soorten voor komen.
In ieder geval heeft in voornoemd grensgebied tussen China en Europa, vanaf dat punt in tijd, de omvang van de oorspronkelijk diversiteit, een grote vlucht genomen. Dit laatste zonder twijfel, na haar verschijning in West Europa, nog uitsluitend gedreven door het ontstaan en tot ontwikkeling komen van niet geringe aantallen natuurlijke zaailingen, iets dat het door de eeuwen heen tot op de dag van vandaag, ook is gebleven.

Hoewel geprefereerde cultuurvormen al vanaf de jongste tijden, waarschijnlijk zelfs al door de Perzen, maar zeker door de Oude Grieken, al door middel van enting vermeerderd (gekloond) werden, werd het toch ook een zich in veelvormigheid sterk uitbreidend gewas. Dat laatste omdat het kiemkrachtig zaad produceert en het zich aldus ook op natuurlijke wijze vermeerdert, maar vanwege haar complexe hybride aard, vooral ook uitsplitst in zeer grote veelvormigheid.
Het is dus in eerste instantie waarschijnlijk deze vorm van vermeerdering en verspreiding, alsook uitbreiding van het areaal geweest die tot de schier oneindige veelvormigheid heeft geleid waar wij ook heden ten dage nog mee te maken hebben en zelfs nog op voortborduren. Dat laatste overigens in grote lijnen in de vorm van het opsporen van al dat al verloren leek te zijn gegaan.

De door de meer georganiseerde mens al in de oudheid middels vegetatieve vermeerdering (klonen) als zodanig, preferentieel door hem geselecteerde aantrekkelijkste vormen in stand gehouden, vertegenwoordigden de eerste selecties, oftewel cultuurvormen. Die zouden wij nu aanduiden met de term “ras”.
Vervolgens heeft zich dit proces, met ups en downs, vanaf de tijd der Oude Romeinen, en in de grijze oudheid der vroege Middeleeuwen, waarschijnlijk veelvuldig herhaald.
Het proces van verdere diversificatie en verspreiding werd vanaf de late Middeleeuwen verder aangewakkerd door gerichte kweek-, selectie- en verspreidingsactiviteiten van kloosterlingen, de middeleeuwse adel en andere notabelen. Daarmee heeft een zeer weide verbreiding over Europa, en later weer naar andere delen van de wereld zijn beslag gekregen.
De grote verscheidenheid aan rassen, deels door selectie van geprefereerde vormen, heeft uiteindelijk geleid tot de eens zo grote verscheidenheid aan meer formele en uiteindelijk zelfs min if meer herkenbaar beschreven rassen in bijna alle delen van Europa.
De grote verscheidenheid is, behalve door veredelingsactiviteiten in meer recente tijden, voor een belangrijk deel te herleiden naar een influx vanuit de natuurlijke zaailingpopulatie, voortkomend uit deze vroegste selecties. Vele daarvan zijn streekgebonden gebleven, andere hebben het verder geschopt en hebben middels eerdergenoemde kanalen, andere delen van Europa hebben bereikt.
Heel veel van die destijds bestaande, meer dan slechts lokaal voorkomende typen (rassen), zijn verdwenen, maar zeker de aantrekkelijkste hieronder hebben het, vooral ook vanwege wijdere verspreiding, lang volgehouden. Daaronder zijn er die wij heden ten dage nog tegen komen en kennen. Meest regionaal, en op Europese schaal, maar veel vaker slechts zeer lokaal, types waarvan wij in verreweg de meeste gevallen niet weten wat hun oorsprong is.

De vraag waarop wij, nu we de waarschijnlijke ontstaansgeschiedenis hebben proberen te doorgronden, een antwoord trachten te geven, is wat wij ons tot ons eigen, Nederlandse culturele erfgoed mogen rekenen.

POMOLOGIA (Johann Hermann Knoop, 1758), een eerste aanzet tot documentatie
We zijn geneigd om alle rassen die in het onvolprezen historische boekwerk POMOLOGIA, van Johann Hermann Knoop (1758), zijn beschreven en afgebeeld, als te zijn van lokale Nederlandse herkomst en aldus tot ons culturele erfgoed willen rekenen. Deze redenering gaat overigens niet op voor enkele rassen waarvan Knoop zelf vermeld dat de herkomst ervan niet in ons land, maar bijvoorbeeld in Frankrijk was gelegen.
POMOLOGIA is het oudste, systematische, beschrijvende, pomologische boekwerk, uitgeven in zowel Nederland, en later ook in Duitsland en Frankrijk. Ook dit wijst er op dat er destijds, veel meer dan nu het geval is, nog sprake moet zijn gewest van een soort pan-Europees assortiment.
Het is dus de vraag hoeveel van de in POMOLOGIA genoemde rassen een echt Nederlandse oorsprong hebben.
Toch mogen wij ook deze enkele waarvan hij aangeeft dat deze van elders kwamen, wel beschouwen als Nederlands cultureel erfgoed en in ieder geval ook waard om zorgvuldig in stand te houden in prioriteits-collecties. De belangrijkste reden daarvoor zijnde dat deze in hun oorsprongsgebieden niet meer te vinden zijn, of zelfs al lang zijn verdwenen.

Rassen waarvan bekend is dat ze een Nederlandse kwekersherkomst of, zoals ook vaak het geval is, een niet bekende, maar waarschijnlijk wél Nederlandse herkomst hebben, behoren bij uitstek tot ons culturele erfgoed.
Omdat, praktisch gesproken, het merendeel daarvan allang leek te zijn verdwenen, betreft het hier feitelijk, echt teruggevonden rassen. Het betreft rassen die hier ooit op grotere of kleinere schaal, landelijk, regionaal, of slechts lokaal door boomkwekers in hun assortiment werden gevoerd. Het betreft rassen die waarschijnlijk ook wel op grotere, of kleinere schaal werden geteeld die inmiddels, eigenlijk verdwenen en vooral al vergeten, leken te zijn.

Streekrassen
Aan de meer specifieke, qua voorkomen, streekgebonden rassen, die waarschijnlijk in meerderheid een lokale, natuurlijke zaailing-herkomst kennen, dient zeer zeker ook een hoge prioriteit te worden toegekend. Het betreft hier rassen die korter of langer geleden zonder twijfel ook al een belangrijke categorie van ons nationale culturele erfgoed omvatten. Mede omdat deze vaak slechts streekgebonden voorkwamen, zijn die voor een belangrijk deel in de vergetelheid geraakt. Voor zover ze dat niet al zijn, dienen deze, om hun voortbestaan te garanderen, bij voorkeur regionaal, in toekomstbestendige collecties opgenomen te worden.
Tenslotte dient ook opsporing en instandhouding van die rassen welke waarschijnlijk nog niet zijn teruggevonden, een hoge prioriteit te krijgen.

Prioriteiten
Dit alles betekent niet dat aan al deze rassen, wat betreft noodzaak tot instandhouding in toekomstbestendige collecties, in dit stadium een hoge prioriteit hoeft te worden toegekend. Rassen, die wél tot ons culturele erfgoed mogen worden gerekend, maar om diverse redenen geen direct gevaar lopen om spoedig te verdwijnen, hoeven nu nog niet meteen in een centrale, toekomstbestendige collectie te worden opgenomen. Hiertoe behoren bijvoorbeeld een aantal, zogenaamde ‘Lunterse’ rassen, zoals de Notaris en de Lunterse Pippeling. Zij kennen nog een brede verspreiding en zullen dat, gegeven hun bekendheid en algemene verkrijgbaarheid, voorlopig ook wel houden.
Tot die categorie behoren ook diverse, veel oudere rassen, zoals bijvoorbeeld ‘onze’ goudrenet, de Schone van Boskoop dus, maar ook Dubbele Bellefleur, Sterappel, Glorie van Holland en oude (stoof)peer- en handpeerrassen als Zoete Brederode, Winterjan en Winterrietpeer, en Zwijndrechtse Wijnpeer.
In het algemeen kunnen we stellen dat het rassen zijn die meerdere kwekers van oude fruitrassen momenteel in hun assortiment voeren en die vooral de laatste jaren weer veelvuldig worden aangeplant.
Het betreft hier dus wél cultureel erfgoed, maar behorende tot een categorie die geen direct gevaar loopt om spoedig te verdwijnen.

Thans nog voorkomende, niet oorspronkelijk Nederlandse rassen
Daarnaast mogen we rassen waarvan door ons, in ons land, ooit oude bomen zijn, en nog steeds worden aangetroffen, zelfs als het rassen betreft die oorspronkelijk slechts in een of meerdere van onze buurlanden voor kwamen en aldaar zijn beschreven, en daar vaak ook nu nog regelmatig worden aangetroffen, niet tot ons nationale erfgoed rekenen. Het betekent dat we ons in dit stadium niet per sé met het behoud van deze rassen hoeven bezig te houden. Zeker voor zover het rassen betreft die in onze buurlanden geen zeldzame verschijning zijn en daar bovendien in toekomstbestendige collecties zijn opgenomen, hoeven wij ons daarover vooralsnog niet te ontfermen.

Als we ons op mogelijk, in ieder geval hopelijk in te richten, centrale Nederlandse historische diversiteits-collecties richten, is het wellicht tóch dienstig om, separaat aan een prioriteitscollectie, wel een collectie van dergelijke rassen samen te stellen. Ze zouden wellicht nuttige diensten kunnen bewijzen als referentie-rassen bij een toekomstige, noodzakelijke genetische analyse van een in te richten centrale collectie. Ook zou deze separate collectie van belang kunnen zijn bij de verdere karakterisering van accessies die vooralsnog niet konden worden geïdentificeerd.

Collectie-activiteiten door de jaren heen
Maar, zover is het helaas nog lang niet. Intussen is er gelukkig door in eerste instantie sterk gemotiveerde particulieren al vanaf de jaren ‘60, vanaf eind jaren ‘80 gevolgd door instandhouding in verenigingsverband en middels door andere organisatievormen gestuurde activiteiten, toch veel verzameld en in collecties opgenomen. Andere, eveneens niet onaanzienlijke collecties zijn gelukkig ook als particulier initiatief ontstaan en nog blijven bestaan.
Collectiebezit breidt zich de laatste jaren nog gestaag uit. Veel, met name nieuwe plattelandsbewoners hebben de laatste jaren de stap gezet op weg naar een boomgaard waarin zij een grote diversiteit aan appel- en perenrassen hebben opgenomen: een collectieboomgaard dus. Veel van de betreffende rassen zijn op deze wijze veelvuldig gedeeld en verspreid geraakt, omdat deze over een veelheid aan boomgaarden is verspreid, waarmee hun bestendigheid min of meer is gegarandeerd.
Zo hebben wij in samenwerking met gemotiveerde boomkwekers, en de laatste jaren ook met de Stichting Landschapsbeheer Gelderland, in het kader van mijn eigen, meer dan twee decennia omvattende deelcollectie-programma, inmiddels enkele honderden zeldzame, bijzondere, en in ieder geval vaak als verdwenen beschouwde appel- en perenrassen in meervoud kunnen verspreiden. Een belangrijk deel van de betreffende rassen mag derhalve als teruggevonden worden beschouwd.
Middels deze methode van verspreiding over een meervoud aan particulier beheerde collecties, mag instandhouding van dergelijke, meest unieke rassen, als betrekkelijk toekomstbestendig worden beschouwd.

Toekomstige betrouwbare instandhouding
Maar, waar toekomstbestendigheid van deze deel-collecties tóch om diverse redenen onzeker is, kan slechts een meer permanente beheersvorm het echt langjarige gegarandeerde behoud van de onderhavige rassenbestanden garanderen.
Dit zal dus, nu het nog kan, een hoge prioriteit dienen te krijgen.

De niet onaanzienlijke kosten die er langjarig met een zorgvuldig beheer van met name hoogstam-boomgaarden, de meest duurzame beheersvorm, zijn gemoeid, alsook gebrek aan kennis van noodzakelijke onderhoudswerkzaamheden, maakt dat particulier beheer helaas nog al te vaak ondermaats en vooral niet bestendig blijkt en blijft.

Realistisch bezien, mogen we dus waarschijnlijk alleen op toekomstbestendig behoud van de zo waardevolle genetische, c.q. culturele diversiteit rekenen wanneer deze ingericht wordt middels beheersstructuren van overheids- c.q. semi-overheidsaard.
Alleen op deze wijze voorzie ik een gegarandeerd langjarig behoud van onze inmiddels omvangrijke schat aan meest teruggevonden in genetisch en historisch opzicht interessante rassenrijkdom.
Waar veel van de eens geteelde appelrassen nog niet zo lang geleden grotendeels verdwenen leken, moet nu deze schat van onschatbare waarde eens, maar nu voor altijd, behoed worden voor definitieve verdwijning.

(Hennie Rossel, nov. 2018)

Referenties:

Knoop, J.H., 1758, Pomologia
Juniper, Barrie E., & Mabberley, David J., 2006, The Storey of The Apple

—–
Eerder gepubliceerd in De Slanke Spil, Nieuwsbrief no. 32, pag. 6-9, Vrienden van het Fruitteeltmuseum in Kapelle (Zld.), nov. 2018

——–

Het Syden Hemmetje van Knoop en de Credes Quittenrenette, hebben die wat met elkaar te maken?

Hennie Rossel

Deze keer zou ik het graag nog even met u over het echte Zijdenhemdje willen hebben. Ik bedoel daarmee het Syden Hemmetje, de appel die Knoop in zijn Pomologia (1758) heeft beschreven. De appel die als zodanig in ons land door niemand meer schijnt te zijn herkend, noch onder deze naam is beschreven.
We vonden, ondanks het feit dat Knoop deze appel prominent en vrij goed herkenbaar had afgebeeld en ook, zij het summier, had beschreven, nooit meer vermeld in nakomende belangrijke, in Nederland gepubliceerde pomologische boekwerken. Noch in Pomologia Batava, van Mathieu van Noort, daterende uit 1830, noch in De Nederlandsche Boomgaard, stammende uit het mekka van de boomteelt, Boskoop (1868) is er een appel onder de naam Syden Hemmetje (Zijden Hemdje) beschreven.
Bovendien is er in Nederland in het verleden kennelijk nooit een boomkweker geweest die dit appelras, onder deze, dan wel vergelijkbare naam, in zijn catalogus had opgenomen. Tot, in meer recente tijden, want boomkwekerijen Frijns, te Margraten, De Batterijen in Ochten, en De Baggelhof, in Terheijl (Dr.) voeren een Zijden Hemdje in hun assortiment. Ons is niet bekend echter of het hier het Zijden Hemdje van Knoop betreft.

Knoop’s Syden Hemmetje lijkt overigens in het geheel niet op een van de drie Zijdenhemdjes die de Vrienden van het Oude Fruit in collectie hebben (Veel, 2016). Veel noemt in zijn beschouwing in Pomospost van het onderwerp ‘Zijden Hemdje’ nog enkele andere, elders genoemde Zijden Hemdjes, maar ook daar zien wij geen verband met ‘onze’ appel.
Het feit dat er diverse appels van gelijke kleur, en ongeveer gelijke statuur, zal wellicht ook hebben bijgedragen aan het feit dat deze appel in Nederland en Duitsland kennelijk niet meer bekend en voorhanden is.

Het feit dat we nu met zoveel interesse naar deze appel zijn gaan kijken, is het simpele feit dat ik een appel in collectie heb die mijns inziens onmiskenbaar Knoop’s Syden Hemmetje vertegenwoordigt.

Belangrijk in deze context is het feit dat de Duitse pomoloog Diel in appels verkregen aan bomen gekweekt met door hem onder de naam Zijden Hemdje uit Nederland (Haarlem) verkregen enthout, onmiskenbaar het door Knoop beschreven Syden Hemmetje herkende (Diel, 1802-1819). Deze bevinding werd later onderschreven en ook nog eens als zodanig gecommuniceerd door Lucas en Oberdieck (1875). Oberdieck gaf deze echter de naam Weisses Seidenhemdchen, waarbij het woord ‘Weisses’ door Oberdieck was toegevoegd omdat er al een Rothes Seidenhemdchen (syn. Pigeon Rouge) bestond (1).

Ook interessant is dat er wél een appel onder de naam Credes Quittenrenette in twee oude assortimentslijsten daterende uit het midden van de 19e eeuw te vinden zijn. Dat zijn, ten eerste, een lijst van de bekende firma Ottolander, te Boskoop, alsook een van een minder bekende kweker, omstreeks diezelfde tijd met zijn kwekerij residerende op De Schovenhorst, te Putten.

Het toeval wil dat ik juist van een bevriende en gedreven hobby-teler en rassenverzamelaar in Putten (Frans Roelofsen) enkele jaren geleden een appel ter determinatie aangeboden kreeg waarin ik onmiddellijk de Credes Quittenrenette meende te herkennen. Ik herkende deze appel van de prachtige afbeeldingen en beschrijving die ik eerder van de appel onder deze naam was tegengekomen op de website van Arche Noah (2). Dat ik deze appel erin herkende, was gebaseerd op het feit dat er prominent op de afbeelding van de onderhavige appel een typische uitwas bij de steel voor deze appel voor komt. Overigens komt onze appel uit Putten er ook in algemene termen zoals vruchtvorm, kleur en tijd van rijpheid/gebruik goed mee overeen.

Belangrijk om hierbij in dit verband te vermelden is dat Lucas & Oberdieck, in de beschrijving van het Weisses Seidenhemdchen, ook aangeven dat sommige vruchten gekenmerkt worden door een uitgroei – ein Fleischwulft – bij de steel. Deze uitgesproken uitwas bij de steel, een ‘klumpke’ zouden mijn maatjes in het Limburgse zeggen, komt ook in Oostenrijk, waar Arche Noah haar domicilie heeft, kennelijk prominent voor bij hun appel.
Het is kennelijk een belangrijk kenmerk om te constateren, want juist dit typische kenmerk bleek dus ook aanwezig bij de appel uit Putten.

Bovenstaande constateringen brachten mij ertoe om te veronderstellen dat Knoop’s Syden Hemmetje in later tijden in onze streken, evenals in Duitsland en Oostenrijk, Credes Quitterrenette is gaan heten. Op z’n minst verwonderlijk is dat nooit enig rassenkenner er het eerder door Knoop, en ook door Oberdieck beschreven Syden Hemmetje (Zijden Hemdje), resp. Weisses Seidenhemdchen, in heeft herkend.

Het feit dat Knoop in zijn overigens vrij beknopte beschrijving van deze appel niet refereert naar dit vrij typische kenmerk, zou een verklaring voor deze naamaanpassing kunnen zijn. Deze appel was door onze vaderlandse pomologen kennelijk nooit, zoals dus wél door Diel, alsook Lucas en Oberdieck, als Syden Hemmetje herkend, hoewel ook de algemene vruchtkenmerken, zoals o.a. vorm, kleur, rijpheid en gebruikstijd wel duidelijk in die richting wijzen.
Overigens wordt ook in De Nederlandsche Boomgaard in de beschrijving van wél de daarin behandelde Credes Quittenrenette, dit kenmerk niet genoemd. Dat is nogal verwonderlijk, omdat de auteurs, volgens hun beschrijving, met name benoeming van geraadpleegde literatuur, ervan op de hoogte hadden kunnen zijn.
Hoe verklaren wij dit? Ik vermoed dat de belangrijkste reden daarvoor is dat, zoals ook wij waargenomen hebben, het ‘klumpke’ lang niet bij alle appels, en bij appels van alle bomen, optreedt (3).

Maar, we hebben nog meer, eveneens vrij sterke aanwijzingen dat we met het Syden Hemmetje en de Credes Quittenrenette waarschijnlijk met een en dezelfde appel te maken hebben.
Groeikenmerken, in dit geval twijgkleur, en wel een opvallende lichtbruine, naar het olijfgroen neigende kleur, bij zowel de appel in onze collectie onder de naam Wit Zijdenhemdje, ooit van boomkwekerij Ten Elsen, te Neede betrokken, als die verkregen aan bomen van enthout van de appel uit Putten, wijst daar bovendien ook sterk op (4).
Typisch bladkenmerk: wollig behaard, klein, met een regelmatig gekartelde bladrand. En de mooie, egale piramidale groei van jonge bomen, alsmede de afwijkende twijgkleur (brons-olijfgroen). Deze zijn bovendien sterk behaard in vergelijking met veel andere appels. Voorts heeft ze dikke, ronde, sterk behaarde knoppen.

Tenslotte nog dit: de Credes Quittenrenette, die op een van de twee ons bekende oude Nederlandse assortimentslijsten prijkt, hadden wij dus gekregen van bovengenoemde hobbyteler uit Putten. Laat nu juist de genoemde assortimentslijst van de toenmalige boomkweker Elbert van Donkersgoed zijn die zijn kwekerij destijds dreef op De Schovenhorst, te Putten(!).

Maar, wat betekent een en ander nu voor de pomologische status van het Syden Hemmetje en de Credes Quittenrenette?

Ten eerste: dat het er op lijkt dat het Syden Hemmetje, ooit in Pomologia beschreven door Johann Hermann Knoop, nog steeds bestaat.

Ten tweede: dat de Credes Quittenrenette waarschijnlijk het eerder beschreven Syden Hemmetje is.

Ten derde: de vraag of het Wit Zijdenhemdje dat enkele boomkwekers in Nederland (De Baggelhof, te Terheijl, De Batterijen te Ochten, en Frijns, te Margraten) die het Syden Hemmetje in hun assortiment voeren, dat ook echt zijn, is ons niet bekend. Als een of meerdere hiervan dat wel blijken te zijn, dan zou het goed zijn dat hun appel haar eerst-gegeven, en derhalve meest rechtmatige naam, zou worden gegeven. Wellicht zou men kunnen overwegen deze appel, hierbij een meer aan de tijd aangepaste spelling hanterend, Zijden Hemdje (Zijden Hempje?) mee te geven, zoals boomkwekerij Frijns, te Margraten doet (hoewel wij niet weten of het hier dezelfde appel betreft).
Dus liever niet ‘Wit Zijden Hemdje’, omdat het bijvoeglijk naamwoord, dat door de Duitse pomoloog Oderdieck, ter onderscheid van een overigens totaal andere appel (Pigeon Rouge, syn. Rothes Seidenhemdchen) aan haar naam was toegevoegd, geen correcte weergave is van de oorspronkelijke naam van dit ras.

Tensotte nog dit:

Uiteindelijk is het zo dat bovengenoemde opinies en conclusies uiteraard van persoonlijke aard zijn. Ik zou graag de uiteindelijke correcte identificatie van het onderwerp ‘Zijden Hemdje’ versus Credes Quittenrenette in samenspraak en samenwerking met hobbykwekers en rassenkenners van deze, dan wel qua gehanteerde naamgeving waarschijnlijk dezelfde appels, zowel in Nederland, als elders, nader verhelderen.
Eenieder die hieraan een bijdrage zou kunnen en willen geven, wordt hierbij van harte uitgenodigd om met ons in contact te treden.

Voetnoten:

(1) Oberdieck, was een belangrijke Duitse pomoloog, die o.a. veel pomologisch werken, o.a. van Diel heeft samengevat in zijn standaardwerk, Illustriertes Handbuch der Obstkunde (1875).
Zeer terecht, vermeldt hij daarbij in zeer duidelijke termen: Mit dem Nahmen Seidenhemdschen bezeichnet die Unwissenheit manche Frucht, waarbij hij nog een aantal voorbeelden hiervan uit Frankrijk en Engeland aanhaalt, waarbij deze naam slechts ‘te onpas’, en wellicht nimmer ‘te pas’ werd gebruikt.
Mocht men geïnteresseerd zijn in deze algemene spraakverwarring omtrent de naam Zijden Hemdje (Seidenhemdchen), dan gelieve men de volgende website te raadplegen: http://www.streuobst-lueneburg.de/docs/themenblaetter/Themenblatt_04-Seidenhemdchen.pdf
Ook wel interessant is dat er op de website van Michael H. Gerloff (Köln) een afbeelding van het Echte Zijden Hemdje (van Knoop, dus ) staat uit een serie pomologische afbeeldingen van Langethal, gecombineerd in het boekwerk van Johann Georg Dittrichs, Deutche Obstcabinet (zie: https://apfel.kulturnation.de/adt-echtes-seidenhemdchen-von-knoop-04-11-2018)

(2) Arche Noah is een Oostenrijkse stichting die zich intensief bezig houdt met de instandhouding van agro-biocultureel erfgoed in de breedste zin (zie: https://www.arche-noah.at/kontakt). De betreffende site is overigens zeker de moeite waard om zo nu en dan eens te raadplegen.

AdT: Echtes Seidenhemdchen von Knoop (04.11.2018)

(3) De aanzienlijke variatie in vruchtkenmerken, ten eerste wat betreft het fruit aan één boom, maar zeker ook tussen bomen, en zelfs in verschillende jaren, of onder verschillende groeiomstandigheden, zijn typisch valstrikken waar ook wij bij het determineren op beducht moeten zijn. Om die reden dienen we ook tenminste meer dan een, het aantal dat ons helaas nog vaak op determineerbijeenkomsten wordt voorgelegd, goed ontwikkelde en liefst voldoende uitgerijpte (boom-rijpe) vruchten voor een zinvolle determinatie te beoordelen krijgen.

(4) persoonlijke communicatie J.M. Jansen Manenschijn (van gelijknamige boomkwekerij te Holten-Dijkerhoek), een zeer scherp observator die middels vergelijking van het hele scala aan groeikenmerken een nauwkeurigheidsniveau bereikt dat niet veel onder doet voor en vergelijking middels dna-kenmerken.

Geraadpleegde literatuur:
Knoop, Johann Hermann, 1758: Pomologia

Boskoop, 1868: De Nederlandsche Boomgaard

Van Noort, Mathieu, 1830: Pomologia Batava

Lukas, Eduard & Oberdieck, Johann, Georg Conrad, 1875: Weisses Seidenhemdchen, das Seidenhemdchen Diel, nach Knoop, in Illustriertes Handbuch der Obstkunde, erster Band

Lukas, Eduard & Oberdieck, Johann, Georg Conrad, 1875: Credes Quittenrenette, in Illustriertes Handbuch der Obstkunde, vierter Band

Diel, Aug. Friedr. Adr., 1819, Crede’s Quittenrenette, in: Versuch einer Systematischen Beschreibung in Deutschland vorhandener Obstsorten, heft 21, pg. 105

Langethal, Christian Eduard, 1853: Echtes Seidenhemdchen von Knoop, beschrijving van Johann Georg Dittrich in Systematisches Handbuch der Obstkunde (1837).

Veel, J, 2016, Zijden Hempjes, in : Pomospost, uitgave 3, pg.11-12, herfst 2016

Assortimentslijst boomkwekerij K.J.W. Ottolander, te Boskoop, ongedateerd (ca. 1850).

Donkersgoed, Elbert van, 1865/66:
Naamlijst van Coniferen, Appel- en Peerenboomen, grof Plantsoen, Heesters, Bloemhout, enz., voorhanden op De Schovenhorst, gemeente Putten, provincie Gelderland.

———-

Eerder gepubliceerd in De Slanke Spil, Nieuwsbrief no. 33, pag. 5-8, Vrienden van het Fruitteeltmuseum in Kapelle (Zld.), april 2019