Op deze plaats delen wij informatie over samenwerkingsprojecten op het gebied van de identificatie en ontwikkelingen betreffende lopende onderzoeksprojecten met medewerkers en andere geïnteresseerden.

 

Waar is de echte Yellow Transparent gebleven?

Het was louter door toeval dat wij enkele jaren geleden een artikel, getiteld EEN NIEUWE APPEL (YELLOW TRANSPARENT), onder ogen kreeg van A. Ide, destijds directeur van de vermaarde G.A. van Swieten Tuinbouwschool te Frederiksoord> Het was al in 1896 in het TIJDSCHRIFT VOOR TUINBOUW, No. 1 gepubliceerd.
Ids behandelt in het bewuste artikel een nieuwe, aantrekkelijke Amerikaanse appel, verkregen onder de naam Yellow Transparent. De bewuste appel was volgens hem enkele jaren daarvoor in ons land ingevoerd door de firma Groenewegen en Zoon, Boomkweekers, te De Bilt.

Rond 1900 verscheen er in Nederland nóg een appel onder de naam Yellow Transparent, syn. Transparente Blanche, Transparent Jaune en White Transparent. In Zeeland kent men deze appel onder de naam (Blanke) Madeleine, terwijl wij die in Oost Nederland kennen als de St. Jaopik’s appel.
In Duitsland, waar deze appel al sinds het midden van de 19e eeuw zou zijn geteeld, kent men haar onder de naam Weisser Klarapfel. Deze zou, naar verluidt, met gelijksoortige Russische appels afkomstig zijn uit een van de Baltische Staten (Letland).
Wanneer precies deze appel in Nederland is verschenen, is onduidelijk. Vast schijnt wel te staan dat zij al in 1852 door boomkweker Wagner te Riga aan de Franse boomkweker Leroy, in Angers, was geleverd. Ze zou vervolgens rond 1900, vanuit Frankrijk, in Nederland zijn geïntroduceerd, maar op welke wijze en door wie, hebben we nimmer kunnen achterhalen.

Nooit eerder hadden wij, noch in assortimentslijsten, noch in de pomologische literatuur, noch bij overlevering, van enig naamsconflict in dit geval gehoord. Ook was dit ogenschijnlijke naamsconflict bij ons, hoewel ik er aanvankelijk door gefascineerd was, destijds bij mij op de achtergrond geraakt.

Toen ik, teneinde een probleem van naamgeving van een geheel ander appelras te verhelderen, onlangs bij een van mijn naspeuringen in de pomologische literatuur – in dit geval het onvolprezen pomologische meesterwerk, THE APPLES OF NEW YORK (Beach et al., 1905) – op een korte beschrijving van de eerder genoemde en kennelijk al door Ide behandelde Yellow Transparent stuitte, ging er weer een lichtje bij mij branden.
In was door Beach namelijk een appel onder de naam Yellow Transparent beschreven die volgens hem in 1870 door de United States Department of Agriculture was geïmporteerd uit Rusland.
En dat was op zichzelf nog niet iets dat echt onze aandacht trok, ware het niet dat hij deze in een vergelijking betrekt met een elders in dat handboek genoemde, laten we voor het gemak maar zeggen, ‘Europese Yellow Transparent’. Die appel wordt aldaar met de naam Thaler aangeduid, met als synoniem – zeer verwarrend – Yellow Transparent.

Wat ons in het bijzonder interesseerde, was de expliciete behandeling van de gevoeligheid voor ziekten van de Thaler, met name vruchtboomkanker (Nectria galligena), kennelijk ook wel aangeduid als Charlottenthaler. ‘Zijn’ Amerikaanse Yellow Transparent zou daar volgens hem niet door worden aangetast.
En het was juist deze laatste eigenschap die in Frederiksoord ook door Ide was waargenomen en expliciet benoemd, hetgeen er nog weer eens op zou kunnen duiden dat Ide het inderdaad over deze appel had.

Nog zouden wij niet overmatig geïnteresseerd zijn geraakt in deze appel, ware het niet dat wij al vele jaren een appel in onze collectie hebben die niet of nauwelijks te onderscheiden is van de ons allen hier te lande onder die naam bekende Yellow Transparent, behalve dan in haar ogenschijnlijke ongevoeligheid voor vruchtboomkanker (Nectria galligena)!
Wij hadden deze steeds gehouden voor een (natuurlijke) zaailing van de ons bekende Yellow Transparent die (bijna) soortecht in deze vermoede zaailing was teruggekomen, maar dan wel met een hoog niveau van resistentie tegen vruchtboomkanker. Overigens hebben we deze appel, vanwege genoemde, zeer nuttige eigenschap, die zij mogelijk had meegekregen van een resistente, overigens onbekende vader, wel in collectie gehandhaafd.

Conclusie: wij hebben hiermee waarschijnlijk de Amerikaanse, dus echte Yellow Transparent in handen, daarbij de regels van anciënniteit voor de rechtmatigheid van naamgeving volgende. De Europese zou derhalve beter met de naam Transparente Jaune (of Transparente Blanche) kunnen worden aangeduid.

Toch zijn wij nog niet geheel overtuigd. Ik zou graag van onder de vaste lezerskring van DE SLANKE SPIL reacties ontvangen over vermeende resistentie tegen vruchtboomkanker in een appel die men eens als een Yellow Transparent had aangeschaft en aangeplant.

Waarom H. de Greeff, leraar aan dezelfde G.A. van Swieten Tuinbouwschool, te Frederiksoord, in zijn serie pomologische beschrijvingen ONZE APPELS EN PEREN, uitgegeven gedurende de jaren 1905-1908, de dus al in Fredriksoord aanwezige, Amerikaanse Yellow Transparent, niet vermeldt, zal wel altijd een raadsel blijven.

Literatuur:

Ide, A, Een nieuwe appel (Yellow Transparent), (1896), Tijdschrift voor Tuinbouw, No. 1, pg. 14
Beach, S.A. et al., The Apples of New York, volume 1, (1905) Charlottenthaler and Yellow Transparent, pg. 222, respectievelijk pg. 248.
De Greeff, H., Onze Appels en Peren (1905- 1908)

(H.W. Rossel, 2015)

Eerder gepubliceerd in De Slanke Spil, Nieuwsbrief van de Stichting Vrienden van het Fruiteeltmuseum, Kapelle (Zld.), no. 24 (maart 2015)

 

Blanke Pepping, of Enkhuizer Aagt?; óf is dat één en dezelfde appel?

 

Een van de door mij de afgelopen jaren (terug)gevonden appels vertegenwoordigt waarschijnlijk een van de twee in de titel genoemde appels, Maar welke van de twee?

De appel, waarvan hier enkele opnames zijn opgenomen, blijkt in ieder geval uiterst duurzaam te zijn. Ze liggen er nu – en dat is begin maart – bij mij, buiten bewaard, nog vrij gaaf bij.

Haar opvallend wit-gele kleur en de mooie, rose-rode blos, met slechts een zeer weinig opvallende gestreeptheid, wijst ons inziens meer in de richting van wat de onvolprezen Nederlandse pomoloog van Duitse herkomst, Johann Hermann Knoop in Pomologia (1758) voor de Blanke Pepping beschrijft, dan naar zijn weergave van de Enkhuizer Aagt. Van deze laatste vermeldt Knoop namelijk dat deze groen-geel van kleur is.

 

Wat grootte, vorm en typische blos betreft, lijken beider afbeeldingen overigens sterke overeenkomsten te vertonen. Overigens lijken de overeenkomsten tussen deze twee appels sterker in de beschrijvingen in Pomologia van elk daarvan. Maar, haar opvallend lange houdbaarheid lijkt weer meer in de richting van de Enkhuizer Aagt te wijzen.

Daarentegen is de weergave van vruchtkleur (saatgrün) in August Friedrich Adrian Diel’s beschrijving in Versuch einer schematischen Beschreibung in Deutschland vorhandener Kernobstsorten (1805, Heft 7, Seite 66) van hun Enkhuyser Agatapfel, eveneens weergegeven in het Illustriertes Handbuch der Obstkunde (Lucas en Oberdieck, 1875) niet in overeenstemming met onze appel. Onze appel is vanaf een jong stadium van ontwikkeling opvallend witgeel van kleur. Overigens wel, tenminste van appels van een boom in de volle zon, met een mooie, rose-rode blos.

De kleur en andere karakteristieke kenmerken van de zomerscheuten aan de boom van onze appel komen overigens wel goed overeen met hetgeen zij vermelden voor de appel die zij als Enkhuyser Agatapfel beschrijven (Sommertriebe schlank, stark wollig, etwas silberhäutig, violetbraun, nur nach unten ganz fein punktirt).

 

Als kleur van het vruchtvlees van hun appel vermelden zij: weiss. Onze appel heeft, echter nu, in maart, duidelijk meer geel-achtig vruchtvlees, dat overigens ondanks buiten-bewaring en blootstelling aan de vorstperiodes van afgelopen winter, nog prima smaakt. Kleurverschil zou een gevolg kunnen zijn van latere verkleuring, of van interpretatie(?).

Het klokhuis van de appel die zij als Enhuyser Agatappel beschrijven, zou vaak slechts vier goed ontwikkelde kamers vertonen, terwijl de vijfde, als die al aanwezig was, klein en verdrongen zou zijn. Onze appel, tenminste in de vruchten die wij hebben aangesneden, vertoonden steeds vijf goed ontwikkelde kamers. Deze laatste bevatten overgens wel, zoals ook zij voor hun appel beschrijven, een aanzienlijk aantal, goed ontwikkelde pitten.

De kelk en haar omgeving (mit falten oder feinen Rippschen oder Fleischperlen umgeben), hetgeen wel enigszins overeen komt met wat wij zien bij onze vruchten en de wat breed geribde vorm van hun appel (auch über die Frucht laufen breite, flache, oft stark vorbrängende Erhebenheiten, welche dann die Rundung und die regelmässigere Form verderben) komt bij sommig vruchten slechts overeen met wat wij enkele van onze, meest strakke, konisch gevormde afgeronde appel waarnemen.

 

De kelkbuis blijkt in onze appel steeds kort, terwijl die bij hun Enkhuyser Agatapfel ook regelmatig lang bleek te kunnen zijn en soms zelfs wel tot het klokhuis door te lopen.

 

Om nog verder aan de verwarring bij te dragen, halen Lucas en Oberdiek (1875) nog aan dat D. ten Doornkaat Koolman, in Ostfriesland, auteur van Pomologische Notizen (1879) aan hem had verteld dat hij, evenals een ‘Gartner aus Holland’, die bij hem op bezoek was, een appel die hij als Credes Taubenapfel in collectie had, zondermeer voor een Enkhuyser Agatapfel had gehouden.

 

Al met al blijkt uit hun weergave van wat er in de literatuur van dat moment vermeld was, tóch ook sprake was van enige niet geringe verwarring. Deze verwarring is mijns inziens tot op heden eigenlijk nooit opgehelderd en we vermoeden zelf dat hen het bestaan van de Blanke Pepping, nota bene kenmerkend afgebeeld in Pomologia (J.H. Knoop, 1758), geheel ontgaan is.

 

Sinds Knoop deze appels beschreven had, hebben wij, behalve in het boekwerk Pomologia Batava, van de hand van Mathieu van Noort (1830), geen latere beschrijving, of eenvoudige vermelding, behalve in één zeer oude assortimentslijst, van deze twee illustere appels meer kunnen vinden. Overigens lijkt de beschrijving van Mathieu van Noort goed overeen te komen met onze appel, echter zijn vermelding dat de Enkhuizer Aagt een dikke, knobbelige steel zou bezitten, komt in het geheel niet overeen met die in andere beschrijvingen, en ook niet met die van onze appel.

In Pomologische boekwerken van latere datum, als De Nederlandsche Boomgaard (1868) komt de Enkhuizer Aagt echter niet meer voor. Overigens wordt ze nog wel genoemd in Vruchtsoorten (1862), de voorloper van voornoemd pomologisch standaardwerk en eveneens uitgegeven door de Vereeniging tot Regeling en Verbetering der Vruchtsoorten, te Boskoop. Ook in één oude assortimentslijst, en wel van de befaamde Boskoopse boomkweker en pomoloog P.A. Ottolander, daterende van rond 1850, troffen we een vermelding aan van een ‘Enkhuiser Aagte’.

De Blanke Peppin is voor zover we weten in de Nederlandse pomologische literatuur nooit meer benoemd.

Maar Diel (1799) beschrijft naast de Enhuyser Agatapfel nog wél een Weisser Pepping (Blanke Pepping). Ook zeer interessant in dit verband is het feit dat hij daarvan vermeldt dat hij het enthout van zijn Weisser Pepping in 1791 uit Haarlem (!) had verkregen.

 

Interessant en wellicht veelzeggend is dat de beschrijving die hij van die appel, waarvoor hij wél naar de Blanke Pepping in Pomologia verwijst, zo sterk met die van de Enkhuizer Aagt overeen komt, dat het mijns inziens niet uitgesloten mag worden geacht dat het dezelfde appel betreft. Mogelijk was hij op het verkeerde been gezet door het feit dat hun grote voorganger Johann Hermann Knoop deze twee – wellicht ook ten onrechte – als twee verschillende rassen beschreven had.

 

Interessant is dat onze collega’s bij de Pomologisch Vereniging Noord-Holland, de POM, een appel in collectie hebben onder de naam Enkhuizer Aagt. Een zeer duidelijke opname van hun Enkhuizer Aagt , die mij op mijn verzoek werd toegezonden door de heer Ger Ernsting van deze vereniging, blijkt echter een opvallend helder-rood gestreepte/gemarmerde appel te zien te geven. Het betreft in hun geval kennelijk een andere appel dan die wij hier trachten te herleiden tot haar ware naam, waarmee niet gezegd is dat hun appel niet de echte Enhuizer Aagt is.

Voorlopig zullen de nevelen rondom de Enkuizer Aagt, alsook rondom onze vermeende Blanke Peppin, nog niet zijn opgetrokken en zal er nog wel enig vergelijkend onderzoek en verder historisch speurwerk, liefst ook i.s.m. onze collega’s in Duitsland, nodig blijken om dit mysterie op te lossen.

Wij houden het er voorlopig dus op dat de beschrijving van de Enkhuyser Agatapfel door Lucas en Oberdieck (1875), op autoriteit van hun in pomologisch opzicht onvolprezen landgenoot Aug. Friedr. Adr. Diel (1805), niet de echte Enkhuizer Aagtappel, maar wellicht de door Knoop als eerste beschreven en afgebeelde Blanke Pepping betreft. In ieder geval komen de door hem beschreven kenmerken heel goed overeen met onze veronderstelde Blanke Pepping.

 

Ik hoop dat met dit verhaal de schijnbare en kennelijk al oude verwarring rond de identiteit van de Enhuizer Aagt, maar evenzeer van de Blanke Pepping een stapje dichter bij haar ontknoping gebracht zal worden.

(H.W. Rossel, maart 2017)

 

Eerder gepubliceerd in De Slanke Spil, Nieuwsbrief van de Stichting Vrienden van het Fruiteeltmuseum, Kapelle (Zld.), no. 29 (maart 2017)